Meeldauw - resistente druivenrassen
Meeldauw vormt het belangrijkste probleem in de druiventeelt. Tot 1860 was spuitentegen deze schimmel niet nodig in Europa omdat deze alleen op het Amerikaanse continent voorkwam. Nadat echter zowel de valse als de echte meeldauw via plantmateriaal in schepen naar Europa terechtkwamen, verspreidden deze zich snel over Europa. Al spoedig vond men uit dat de echte meeldauw met zwavel te .bestrijden was en dat koper hielp tegen valse meeldauw. Een mengsel van zwavel en koper (=Bordeauxse pap) werkte dus tegen beide vormen van meeldauw. Later kwamen daar nog diverse chemische middelen bij. Dit maakte de druiventeelt behoorlijk milieu-onvriendelijk. Alle bekende wijndruifrassen (de zgn. europese rassen) gevoelig bleken moesten 6 à 8 keer per jaar bespoten worden en in natte zomers zelfs 10 à 12 keer.Men was daarom al voor 1900 op zoek naar meeldauw-resistente rassen. De Amerikaanse wilde druivenrassen hadden al duizenden jaren met de meeldauw samengeleefd en hadden daardoor een resistentiemechanisme ontwikkeld. Een probleem was echter dat de Amerikaanse rassen niet smaakten. Maar men hoopte via kruising van Europese en Amerikaanse rassen de goede eigenschappen van beide ouders te combineren, nl. resistentie èn een goede smaak. Welnu dat laatste bleek erg tegen te vallen: als de nakomelingen resistent waren, dan gaven ze een wijn met vreemde bijsmaken. Sommige rassen hadden een "foxy" smaak (nat hondenvel, motteballen, kampfer) en andere hadden een te ster ke aardbei- of f
ramboossmaak. In Nederlandse tuinen kennen we Rembrandt en Boskoop's Glorie als voorbeelden. Via terugkruising met Europese rassen kwamen er later rassen met een wat betere wijnkwaliteit. De beste hiervan (Triomphe d'Alsace, Leon Millot, Marechal Foch, Seyval Blanc) werden door hobby-wijngaardeniers gebruikt en ook wel in Engelse en Canadese wijngaarden, maar de wijnkwaliteit kon toch nog steeds niet die van de traditionele rassen evenaren. In de 70-er jaren stopte Frankrijk met het zoeken naar nieuwe resistente rassen en werden alle hybride rassen verboden in EU-verband. Resistente rassen stonden daarom bij wijnbouwers en wijnkenners zeer lang in een negatief daglicht. In o.a. Duitsland, Hongarije en USA heeft men via verder terugkruisen wel geprobeerd resistentie en wijnkwaliteit te combineren. Pas vanaf 1995 kwamen de eerste rassen op de markt die dat doel benaderen o.a. de blauwe rassen Rondo en Regent (afkomstig uit Geisenheim resp. Siebeldingen). Vanaf 2000 volgden goede witte rassen uit Freiburg : Johanniter, Merzling en Solaris.Aardig dat al deze rassen blijken geschikt voor het Nederlandse klimaat omdat ze behalve meeldauw-resistentie ook een neven-eigenschap van de wilde Amerikaanse druiven hebben meegekregen, nl. vroegrijpheid. Solaris is extreem vroegrijp en wordt zelfs in Denemarken rijp.In onze wijngaard hebben we vele nieuwe rassen op proef aangeplant. Sommige hebben nog geen naam en alleen maar een kwekersnummer (bijv. Gm 7926-1 en Gf Ga 48-12). Ook hebben we in een demonstratie-rij vele rassen uit onze oudere experimenten aangeplant, waar ruim 70 resistente rassen te bewonderen zijn.
|